Redders in nood

De vier gemeentemannen waren goed gehumeurd, wel bespraakt en voor het merendeel dik gebuikt. Ze reden kort na elkaar twee aan twee, het speelterreintje op. De eerste lichting in een rood busje, de tweede in een autootje met een soort van laadbak.

Kleinste kleindochter van drie en ik hadden net een gesprekje over het klimrek, dat van de ene dag op de andere niet meer compleet bleek te zijn.  Het viel haar meteen op. “Hé, het dakje is weg!” riep de peuterkleuter verbaasd en had haar schuldvraag meteen helder, “dat hebben de jongens gedaan, hè oma.”

Ik wist het niet, maar snapte de gedachtegang wel, “de jongens” hadden op een ander speelterreintje ook al wat veranderingen aangebracht. Het waren niet echt verbeteringen, tenminste, lijm en daarna zand op een glijbaan plempen, is geen aanpassing waar je blij van wordt.
We voerden een korte inspectie uit en om eerlijk te zijn, het dakje was keurig verwijderd, geen splinter miste. “Misschien gaat iemand een nieuwe maken,” opperde ik. “Komt wel goed,” suste de kleine zichzelf waarna, alsof het afgesproken werk was, de gemeenteautootjes hun opwachting maakten.

Nadat de bijrijder van het ene voertuig, het andere had binnengeloodst met gebaren alsof het de landing van een vliegtuig betrof, konden de mannen aan de slag. Het busje ging open en er kwam een dak tevoorschijn, dat gezamenlijk naar het klimrek gedragen werd.

Peuterkleuter vond het prachtig, maar ook erg spannend. Ze bekeek het tafereel vanaf de schommel met een permanente frons in haar voorhoofd. Het was wat je noemt een evenement. Dat zat ‘m ook in het luidruchtige en humorvolle van het gebeuren. Tenminste, er werd aardig wat geroepen en afgelachen door de groep, maar ook en daar ging het om, hard gewerkt. Het nieuwe onderdeel werd in de lucht getild en gleed op het rek, schoof door, werd ternauwernood opgevangen en toen zat het eindelijk goed.

Nou ja bijna goed. Op het moment dat één van de mannen, die boven in het klimrek geklommen was, aan de slag zou met een enorme elektrische schroevendraaier om het geheel vast te zetten, sprak een ander groepslid zijn veto uit. “Dit kan zo niet hè,” riep hij bars, “iets naar rechts, zo hangt ie scheef. Nee, dklimrekas te ver, weer iets terug. Ja, zo zit ie recht.” Gelukkig, er kon afgerond worden.

Met die klus geklaard, bleef alleen een kort maar krachtig controlerondje over. De wippen kregen een optater, het speelautootje werd nauwkeurig bekeken en beklopt. De touwen van een ander klimrek werden besprongen of kregen een flinke ruk, afijn, geen mogelijkheid bleef onbenut. Er werd tevreden geknikt en na een vriendelijke groet, verdween het stel.

Peuterkleuter spoedde zich naar het klimrek en bewonderde het spiksplinternieuwe onderdeel. “Nou is het weer goed!” stelde ze gelukzalig vast en klom omhoog. En zo was dat, met dank aan de gemeentemannen.