Carpe diem

Die laatste keer dat ik je zag,
moest ik de kast zó nodig soppen.
De meisjes speelden met hun poppen.
Zij wuifden jou, vrolijk gedag.

Maar ik had toen geen tijd voor groeten.
‘Ik heb het druk’, riep ik verbeten.
Nu zou ik dus wel beter weten,
hoe’t afscheid werk’lijk had gemoeten.

Ik zou me vleien in je armen,
en met intens genoegen kijken,
naar je gezicht.  Je haren strijken.
M’n mond je wang laten verwarmen

ik zou je lichaamsgeur opsnuiven.
Mijn lippen dwalend langs je oren.
De tong licht plagend, jij verloren…
Mijn heupen vragend laten schuiven.

En lachend zou jij je bevrijden,
mijn armen vangend, die zich weren.
Je kust mijn mond nog enk’le keren
en knipoogt naar de beide meiden.

Dan stap je grijnslachend naar buiten.
Ik mime een luchtzoen, k’zal proberen
‘t verlangen uit mijn kop te keren.
Dat zich vanavond pas kan uiten.

Die laatste keer dat ik je zag,
moest ik de kast heel nodig soppen.
Ik wou dat ik dat beeld kon stoppen,
opdat het nog eens over mag.

(gedicht naar aanleiding van dodenherdenking)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *