Landelijk, ja toch

“Je hebt je wagen vol geladen, met wat oude spullen,” zong de kringloopmeneer, die qua uiterlijk zo mee kon doen aan een Jezus look a like verkiezing. Hij hielp bij het uitladen van alle, in ons huishouden, als overbodig aangemerkte handel.

“Jij woont vast landelijk,” zei hij.
Dat klopte wel, dus ik knikte lachend van ja.
“Dat dacht ik al, kan ik zien aan je auto.”
Ah, hij doelde op het mini Jeepje waar ik momenteel in rondcrosste.
“En aan je ogen,” vervolgde de man monter. Hij wees naar zijn eigen ogen en gaf met gestrekte wijsvinger snelle tikjes op z’n oogkas, opdat er geen misverstand zou bestaan over welk lichaamsdeel hij het had.
Tuurlijk, m’n ogen., Dat was ongetwijfeld de wilde boerendochter die daarin verscholen zat… of zoiets. Nou vooruit maar weer.
“En aan de geur.”
Huh? De kringloopman zag mij fronsen. Geur?
“Heel lekker hoor, bedoel ik, niet vies ofzo,” haastte hij zich te zeggen en schutterde wat met de laatste doosjes.
“Is goed,” riep ik vrolijk en om de ietwat ongemakkelijk aanvoelende analyse die op me losgelaten werd een zachte dood te laten sterven, liep ik vriendelijk wuivend, maar doelbewust, het pand uit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *